je vindt / jij vindt / je vind* / jij vind*

De correcte vervoeging is je/jij vindt.

  • Je/jij vindt dat boek goed.

Als het onderwerp je/jij achter de persoonsvorm staat, is de correcte vervoeging vind je/jij. Bij combinaties met je is het niet altijd even duidelijk of je het onderwerp van de zin is. Als u daaraan twijfelt, kunt u je proberen te vervangen door jij of jou(w). Als je vervangen kan worden door jij, is je het onderwerp.

  • Vind je/jij dat boek goed?

Als je vervangen kan worden door jou(w), is je niet het onderwerp van de zin.

  • Vindt je broer dat boek goed?, zoals Vindt jouw broer dat boek goed? (het onderwerp is niet je, maar je broer)
  • Hij vindt je in die grote zaal nooit terug, zoals Hij vindt jou in die grote zaal nooit terug. (het onderwerp is niet je, maar hij)

Er is een eenvoudig trucje om te achterhalen of u in de tegenwoordige tijd -d of -dt moet schrijven: vergelijk het werkwoord waarover u twijfelt met een werkwoord waarvan de stam niet op een -d eindigt – bijvoorbeeld lopen, denken of zoeken – en spel het op dezelfde manier.

  • ik vind, zoals ik denk
  • je/jij vindt, zoals je/jij denkt
  • vind je/jij, zoals denk je/jij
  • wat vindt je vader daarvan, zoals wat denkt je vader daarvan
  • u vindt, zoals u denkt
  • vindt u, zoals denkt u
  • hij vindt, zoals hij denkt
  • vindt hij, zoals denkt hij
  • vind maar eens een goed voorbeeld, zoals zoek maar eens een goed voorbeeld


werkwoordspelling - stam en tegenwoordige tijd

Taaladvies.net
D / dt (tegenwoordige tijd): u rijd / u rijdt

Hebt u een taalvraag?
Nieuwsbrief krijgen?
  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 10.000 abonnees
Spellingtests
  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback
Volg ons