krat: de krat / het krat

Krat kan zowel een de-woord als een het-woord zijn.

U kunt uw taalgevoel volgen, maar pas uw keuze wel consequent toe.

  1. Als u de krat zegt, zegt u ook die/deze krat, elke krat, onze krat en krijgt een bijvoeglijk naamwoord altijd een buigings-e: de volle krat, een volle krat, volle krat.
  2. Als u het krat zegt, zegt u dit/dat krat, elk krat, ons krat en krijgt een bijvoeglijk naamwoord geen buigings-e na bijvoorbeeld een en elk: een vol krat, elk vol krat, vol krat.
Hebt u een taalvraag?
Nieuwsbrief krijgen?
  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 10.000 abonnees
Spellingtests
  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback
Volg ons