veelgemaakte fouten - moeten, hoeven en mogen

1. je moet niet op tijd zijn / je hoeft niet op tijd te zijn
Gebruik niet hoeven om uit te drukken dat iets niet noodzakelijk of wenselijk is.

Deze regel geldt voor expliciete ontkenningen, bijvoorbeeld met niet, geen, niets, niemand, nooit of nergens. Hij geldt ook voor impliciete ontkenningen, bijvoorbeeld met alleen maar ('niet meer dan'), nauwelijks ('bijna niet'), pas ('niet eerder dan'), slechts ('niet meer dan'), weinig ('niet veel') of zelden ('niet vaak').

betekenis

niet

maar wel

'het is niet nodig dat je op tijd bent'

Je moet niet op tijd zijn.

Je hoeft niet op tijd te zijn.

'het is niet nodig dat je iets klaarmaakt'

Je moet niets klaarmaken, wij zorgen voor het eten.

Je hoeft niets klaar te maken, wij zorgen voor het eten.

'het is niet eerder dan morgen noodzakelijk dat jullie betalen'

Jullie moeten pas morgen betalen, er is dus nog tijd om naar de bank te gaan.

Jullie hoeven pas morgen te betalen, er is dus nog tijd om naar de bank te gaan.

Niet moeten drukt uit dat het noodzakelijk, wenselijk of beter is dat iets juist niet gebeurt of niet het geval is. De betekenis van niet moeten komt in de buurt van die van niet mogen. Bijvoorbeeld: Ze moet hem vooral niet vertrouwen!

 

2. moest ik kunnen / mocht ik kunnen / als ik kan / als ik kon
Gebruik in een veronderstellende bijzin niet de werkwoordsvorm moest(en).

U kunt altijd een als-zin zonder moest(en) gebruiken. Als het om een onzekere maar reële mogelijkheid gaat, kunt u ook het iets formelere mocht(en) gebruiken.

niet

maar wel

Als het morgen glad moest zijn, dan komen we met de trein.

  • Als het morgen glad is, komen we met de trein.

  • Mocht het morgen glad zijn, dan komen we met de trein.

Moesten er toch nog vragen zijn, dan kunt u ons bellen.

  • Als er toch nog vragen zijn, kunt u ons bellen.

  • Mochten er toch nog vragen zijn, dan kunt u ons bellen.

  • Als er toch nog vragen mochten zijn, kunt u ons bellen.

Moest ik kunnen, dan zou ik stoppen met werken.

  • Als ik kon, zou ik stoppen met werken.

Moest ik hem zijn, dan had ik het huis al lang verkocht.

  • Als ik hem was, had ik het huis al lang verkocht.


vervoeging van werkwoorden - hebben, zijn, kunnen, willen, zullen
vervoeging van werkwoorden - veelgemaakte fouten
werkwoorden in enkelvoud of meervoud - veelgemaakte fouten
werkwoordsvolgorde - veelgemaakte fouten

Hebt u een taalvraag?
Nieuwsbrief krijgen?
  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 10.000 abonnees
Spellingtests
  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback
Volg ons