werkwoordstam (taalkundige term)

De stam van een werkwoord is de vorm die we horen als we de uitgang -en (soms -n) van de infinitief weglaten. Het is de basisvorm van een werkwoord, waarop we ons baseren als we het werkwoord vervoegen.

  • vinden: vind [vind]
  • zingen: zing [zing]
  • sturen: stuur [stuur]
  • raden: raad [raad]
  • komen: kom [kom]
  • zetten: zet [zet]
  • gaan: ga [gaa]

Er zijn twee soorten gevallen waarover verwarring kan bestaan: als de infinitief eindigt op -ven of -zen, eindigt de stam in de uitspraak op v of z, maar schrijven we op het einde f of s. In de vervoegde vormen schrijven we ook f of s (ze belooft, hij verhuisde), behalve aan het begin van een lettergreep: daar schrijven we wel v of z (we belo-ven, ze verhui-zen).

  • beloven: beloof [beloov]: ik beloof, hij belooft, ik beloofde, ze hebben beloofd, we beloven
  • verhuizen: verhuis [verhuiz]: ik verhuis, hij verhuist, ze verhuisde, ze zijn verhuisd, ze verhuizen


werkwoordspelling - stam en tegenwoordige tijd

Hebt u een taalvraag?
Nieuwsbrief krijgen?
  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 10.000 abonnees
Spellingtests
  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback
Volg ons