haar: de haar / het haar

In de betekenis 'haardos, verzameling van haren' is haar een het-woord. Naar het-woorden verwijzen we met het betrekkelijk voornaamwoord dat en met de aanwijzende voornaamwoorden dit en dat.

  • Bij oudere mensen groeit het haar trager.
  • Hij heeft dik, krullend haar dat je moeilijk kunt kammen.
  • Haar dat goed verzorgd wordt met kwaliteitsvolle producten ziet er meestal gezond en glanzend uit.
  • Dat haar kan wel een knipbeurt gebruiken.

Het woord haar kan ook naar een afzonderlijke haarvezel verwijzen. In die betekenis kan haar zowel een het-woord als een de-woord zijn. In België is het  meestal een het-woord, in Nederland een de-woord.

  • Het grijze haar dat / de grijze haar die ik vanochtend zag, heb ik meteen uitgetrokken.
  • De politieagent heeft dat haar / die haar op de jas van het slachtoffer gevonden.
  • Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt / die eraan denkt om hem uit te nodigen op mijn verjaardagsfeest.

Taaladvies.net
Die / dat (geen haar op mijn hoofd - daaraan denkt)

Hebt u een taalvraag?

Nieuwsbrief krijgen?

  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 13.000 abonnees

Spellingtests

  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback

Volg ons