hun gezicht / hun gezichten

Als we verwijzen naar iets waarvan elk individu van een groep er maar één heeft (een gezicht, een mond, een bord enzovoort) kiezen we in zinnen als De passagiers sloegen hun handen voor hun gezicht / gezichten meestal voor de enkelvoudsvorm.

  • De passagiers sloegen hun handen voor hun gezicht.
  • Jullie zaten met jullie mond vol tanden.
  • De kinderen aten hun bord leeg.
  • Het water kwam tot onze buik.
  • Ze hielden hun hoofd schuin.
  • Beide gemeenten moeten hun sporthal renoveren. (als het bij elke gemeente om één sporthal gaat)

Hebt u een taalvraag?

Nieuwsbrief krijgen?

  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 12.000 abonnees

Spellingtests

  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback

Volg ons