immers / namelijk

Immers en namelijk worden allebei gebruikt om een redengevend verband uit te drukken, maar er is een klein verschil in betekenis. Immers drukt uit dat de reden of het argument als bekend of als algemeen erkend wordt beschouwd. Bij namelijk gaat het om een nieuwe reden of een nieuw argument. Immers kan helemaal vooraan in een zin staan, waardoor het extra nadruk krijgt.

  • Het is goed dat de dansers op tijd naar huis kunnen vertrekken. Er volgen immers / namelijk nog twee vermoeiende dagen waarin ze het beste van zichzelf moeten geven.
  • Dan is deze opleiding echt iets voor u. U leert er immers / namelijk alles over wanneer en hoe u met een activiteit als bijberoep kunt starten.
  • Er is immers / namelijk geen tijd te verliezen.
  • Ik doe die klus wel. Ik had het immers / namelijk beloofd. 
  • Immers, er is geen ruimte voor fouten.

Herhaaldelijk gebruik van immers en namelijk kan in een tekst storend werken. Dat geldt in het bijzonder voor immers omdat het een vrij formeel en schrijftalig woord is. U kunt immers en namelijk vaak gewoon weglaten of een formulering met bijvoorbeeld toch, want of tenslotte gebruiken.

  • Het is goed dat de dansers op tijd naar huis kunnen vertrekken. Er volgen nog twee vermoeiende dagen waarin ze het beste van zichzelf moeten geven.
  • Dan is deze opleiding echt iets voor u. U leert er alles over wanneer en hoe u met een activiteit als bijberoep kunt starten.
  • Ik doe die klus wel. Ik had het toch beloofd.
  • We doen vandaag lekker niets, want het is vakantie. 
  • We doen vandaag lekker niets. Het is tenslotte vakantie.

Meer weten over Team Taaladvies?

Lees ons magazine!

cover Heerlijk Helder-magazine

Hebt u een taalvraag?

Nieuwsbrief krijgen?

  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 13.000 abonnees

Spellingtests

  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback

Volg ons