je / jezelf

Werkwoorden die alleen wederkerend gebruikt kunnen worden, zoals zich bemoeien, zich gedragen, zich inbeelden, zich schamen en zich vergissen, krijgen in de tweede persoon enkelvoud gewoonlijk je bij zich. Uitzonderingen zijn tot zichzelf komen, op zichzelf wonen, buiten zichzelf zijn/raken en zichzelf zijn. Die combinaties krijgen jezelf bij zich.

  • Schaam je je voor je uiterlijk?
  • Je hebt je vergist.
  • Ben je bang om op jezelf te gaan wonen?
  • Sinds het ongeval ben je jezelf niet meer.

Bij werkwoorden die zowel wederkerend als niet-wederkerend gebruikt kunnen worden, zoals wassen, scheren, aankleden, bezeren, en verwonden, wordt meestal je gebruikt. Als het wederkerend voornaamwoord beklemtoond is, wordt jezelf gebruikt.

  • Je moet je eerst wassen voor je je aankleedt.
  • Heb je je bezeerd?
  • Je moet jezelf wassen, niet het bad!
  • Heb je jezelf verwond, of je tegenspeler?

Bij sommige van die werkwoorden is er een sterke voorkeur voor jezelf, maar in enkele gevallen is daarnaast ook je mogelijk.

  • Het was niet je bedoeling om jezelf te bevoordelen.
  • Je hebt jezelf iets wijsgemaakt.
  • Waar zie je jezelf / je over vijf jaar?
  • Acht je jezelf / je daartoe in staat?

Na voorzetsels wordt gewoonlijk jezelf gebruikt. Als het voorzetsel een plaatsaanduidende functie heeft, wordt je gebruikt.

  • Dat heb je aan jezelf te wijten.
  • Jij houdt je mening blijkbaar liever voor jezelf.
  • Zie je het al voor je?

Hebt u een taalvraag?

Nieuwsbrief krijgen?

  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 13.000 abonnees

Spellingtests

  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback

Volg ons