komma (voor maar, voor want)

Voor de nevenschikkende voegwoorden maar en want wordt meestal een komma gezet.

  • De Argentijn probeerde te koppen, maar kreeg een duw tegen zijn schouder en zag de bal net naast gaan.
  • Ze stopt met werken, want ze gaat trouwen met een miljonair.

In korte zinnen is een komma niet nodig.

  • Ze is mooi maar saai.
  • Hij stopt want hij is moe.

Hebt u een taalvraag?

Nieuwsbrief krijgen?

  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 12.500 abonnees

Spellingtests

  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback

Volg ons