pasgetrouwd / pas getrouwd

Als pasgetrouwd bij een zelfstandig naamwoord staat, is pasgetrouwd de correcte spelling. Combinaties van pas met een voltooid deelwoord schrijven we aan elkaar als ze als bijvoeglijk naamwoord gebruikt worden en als we maar één hoofdklemtoon horen: een pasgetrouwd koppel.

  • Het pasgetrouwde koppel vertrok meteen op huwelijksreis.

We schrijven de combinatie doorgaans niet aan elkaar als ze in een zin staat met een persoonsvorm van het werkwoord zijn. We horen dan een klemtoon op beide woorden.

  • Het koppel is pas getrouwd en heeft al een huis gekocht.

Vergelijkbare gevallen zijn pasbenoemd / pas benoemd, pasgeboren / pas geboren, pasgehuwd / pas gehuwd, pasgestorven / pas gestorven en pasgeverfd / pas geverfd.

aaneenschrijven - woordgroep of samenstelling?

Taaladvies.net
Jong gehuwd stel / jonggehuwd stel

Hebt u een taalvraag?

Nieuwsbrief krijgen?

  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 13.000 abonnees

Spellingtests

  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback

Volg ons