rijden (vervoegen)

Vervoeging:

  • ik rij / ik rijd, jij rijdt, hij rijdt, wij rijden
    bij inversie: rij ik / rijd ik, rijdt je broer, rijdt hij
    bij inversie met je/jij als onderwerp: rij je / rijd je met ons mee, hoe rij jij / rijd jij
  • gebiedende wijs: rij / rijd voorzichtig naar beneden!
  • ik reed, jij reed, hij reed, wij reden
  • ik heb gereden

Waar twee vormen mogelijk zijn, is zowel in gesproken als in geschreven taal de vorm zonder d het gewoonst.

Taaladvies.net
Hou(d) op, ik hou(d) daar niet van

Hebt u een taalvraag?
Nieuwsbrief krijgen?
  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 11.000 abonnees
Spellingtests
  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback