scheren: schoor / scheerde, geschoren / gescheerd

Afhankelijk van de betekenis wordt het werkwoord scheren onregelmatig (schoor, geschoren) of regelmatig (scheerde, gescheerd) vervoegd. Als scheren de al dan niet figuurlijke betekenis 'afknippen, afsnijden, bijsnijden' heeft, is de vervoeging onregelmatig.

  • Hij heeft zich niet geschoren.
  • Vroeger schoren monniken hun kruin.
  • Mijn buurman heeft de haag geschoren.
  • Jongeren worden vaak over dezelfde kam geschoren.

Als scheren 'rakelings langs iets gaan' betekent, is de vervoeging regelmatig.

  • Het vliegtuigje scheerde langs de verkeerstoren.
  • Het bedrijf scheert langs de rand van de afgrond.
  • Het Belgische elftal scheerde geen hoge toppen.
  • De bal scheerde de lat.

Ook regelmatig zijn gekscheren ('schertsen') en zich wegscheren ('maken dat je wegkomt').

  • Na lang te hebben gegekscheerd over vervoegingen, scheerden we ons wijselijk weg.
Hebt u een taalvraag?
Nieuwsbrief krijgen?
  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 11.000 abonnees
Spellingtests
  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback