skiën (vervoeging)

Vervoeging:

  • ik ski, jij skiet, wij skiën
    bij inversie: dan ski ik, dan skiet je broer, dan skiet hij
    bij inversie met jij/je als onderwerp: dan ski jij, dan ski je
  • gebiedende wijs: ski!
  • ik skiede, wij skieden
  • ik heb geskied
  • skiënd

In de vormen ski, skiën en skiënd wordt ski gespeld zoals in de taal van herkomst. Vóór de werkwoordsuitgangen -t, -de(n) en -d wordt de i aan het einde van de stam verlengd: jij skiet, ik skiede, wij skieden, ik heb geskied. Een vergelijkbaar werkwoord is taxiën.

werkwoordspelling - stam en tegenwoordige tijd

Taaladvies.net
Skiën (vervoeging)

Hebt u een taalvraag?

Nieuwsbrief krijgen?

  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 13.000 abonnees

Spellingtests

  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback

Volg ons