twee werkwoorden (komma)

Tussen twee werkwoordsvormen die niet tot hetzelfde gezegde behoren, staat meestal een komma. De komma geeft duidelijk aan wat tot welk deel van de zin behoort.

De komma staat er bijna altijd als het gaat om twee persoonsvormen die vlak naast elkaar staan.

  • Als ik zing, wordt hij boos.
  • De vriendin die ik op de reünie terugzag, was erg veranderd.

Ook tussen andere werkwoordsvormen komt vaak een komma.

  • De vriendin die ik op de reünie heb teruggezien, is erg veranderd.
  • Hoewel ze hem vroeger niet kon uitstaan, vindt ze hem nu heel leuk.
  • Je moet mensen die in gevaar verkeren, helpen.

Ook in zinnen waarin de werkwoordsvormen niet naast elkaar staan, kan een komma voor een duidelijke zinsstructuur zorgen.

  • De vriendin die ik terugzag op de reünie, was erg veranderd.
  • Sluit de kluis waarin je de inkomsten van de avond legt, altijd af.
  • In de toekomst zullen ruimtetoeristen die een rondje om de aardbol willen maken, in deze ruimtehaven opstijgen en er ook weer landen.

In korte en duidelijke zinnen kan de komma weggelaten worden.

  • Wie het weet mag het zeggen.
  • Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe.
  • Of het zover zal komen is nog afwachten.

Taaladvies.net
Komma tussen twee werkwoordsvormen

Hebt u een taalvraag?
Nieuwsbrief krijgen?
  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 11.000 abonnees
Spellingtests
  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback