verleden tijd (taalkundige term)

Bij de verleden tijd van de werkwoorden is er een onderscheid tussen regelmatige en onregelmatige werkwoorden. Werkwoorden zijn regelmatig als ze in de verleden tijd dezelfde stam hebben als in de tegenwoordige tijd (werk - werkte, wandel - wandelde, droom - droomde). Ze zijn onregelmatig als klinkers of medeklinkers veranderen, waardoor er een aparte stam voor de verleden tijd is (denk - dacht, ga - ging, eet - at).

Voorbeelden van de onvoltooid verleden tijd (o.v.t.) zijn: ik werkte, jij dacht, hij ging, wij wandelden, jullie aten, zij droomden.

Voorbeelden van de voltooid verleden tijd (v.v.t.) zijn: ik had gewerkt, jij had gedacht, hij was gegaan, wij hadden/waren gewandeld, jullie hadden gegeten, zij hadden gedroomd.


werkwoordspelling - verleden tijd

Taaladvies.net
D / t (verleden tijd): hij suiste / hij suisde

Hebt u een taalvraag?
Nieuwsbrief krijgen?
  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 11.000 abonnees
Spellingtests
  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback
Volg ons