voorzetsel (taalkundige term)

synoniem = prepositie

Een voorzetsel drukt een relatie uit tussen de woordgroep waar het zelf toe behoort, de zogeheten voorzetselconstituent, en een ander element in de zin. Die relatie heeft vaak betrekking op de plaats, de tijd of het middel.

  • Je balpen ligt op / naast / onder je stoel.
  • Dat gebeurde allemaal voor / tijdens / na de oorlog.
  • Dunne lijnen trek ik met een potlood.

Andere voorbeelden van voorzetsels zijn:

  • aan, achter, bij, binnen, boven, buiten, dankzij, door, gedurende, in, langs, naar, nabij, om, omstreeks, over, per, qua, rond, sinds, te, tegen, tegenover, tot, tussen, uit, van, vanaf, vanuit, via, volgens, voorbij, wegens, zonder

Een voorzetsel staat meestal vooraan in de voorzetselconstituent, in combinatie met een zelfstandig naamwoord. Soms staat een voorzetsel achteraan in de voorzetselconstituent. Dat komt vooral voor bij werkwoorden die een beweging uitdrukken, om de richting van die beweging te beklemtonen.

  • Edward loopt in het bos. (voorzetsel)
  • Edward loopt het bos in. (achtergeplaatst voorzetsel)

Een combinatie van woorden die als geheel de functie van een voorzetsel heeft, wordt een voorzetseluitdrukking genoemd.

  • aan de hand van, door middel van, in plaats van, in verband met, met behulp van, met betrekking tot, naar aanleiding van, op grond van, ten aanzien van
Hebt u een taalvraag?
Nieuwsbrief krijgen?
  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 11.000 abonnees
Spellingtests
  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback