wezen / zijn / gaan

Het werkwoord wezen komt alleen voor in de infinitief. Het is vooral gebruikelijk in de spreektaal. 

In sommige gevallen is wezen synoniem met zijn. Meestal kunt u zowel wezen als zijn gebruiken. In sommige min of meer vaste uitdrukkingen is alleen wezen mogelijk.

  • Het resultaat mag er zijn / wezen.
  • Het zal je kind maar zijn / wezen.
  • Het zal mij een zorg zijn / wezen.
  • Het mag wezen hoe het wil, ik ben het er niet mee eens.
  • Laten we wel wezen.

In andere gevallen is wezen synoniem met gaan. Het wordt dan gecombineerd met een persoonsvorm van het werkwoord zijn en een infinitief van een werkwoord dat een handeling uitdrukt. Dat gebruik van wezen komt vooral in Nederland voor.

  • Ik ben daar even wezen kijken.
  • Hij is gisteren wezen wandelen.

De vorm wees is de gebiedende wijs van het werkwoord zijn.

  • Wees nu eens rustig.

Taaladvies.net
Wezen / zijn (Piet zal wel weer te laat -)

Hebt u een taalvraag?

Nieuwsbrief krijgen?

  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 13.000 abonnees

Spellingtests

  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback

Volg ons