deken: het deken / de deken

Zowel het deken als de deken is correct in de betekenis 'grote lap stof waarmee men zich bedekt tegen de kou'. In België wordt meestal het deken gebruikt, in Nederland bijna uitsluitend de deken.

U kunt uw taalgevoel volgen, maar pas uw keuze wel consequent toe.

  1. Als u het deken zegt, zegt u ook dit/dat deken, elk deken, ons deken en krijgt een bijvoeglijk naamwoord geen buigings-e na bijvoorbeeld een en elk: een warm deken, elk warm deken, warm deken.
  2. Als u de deken zegt, zegt u ook die/deze deken, elke deken, onze deken en krijgt een bijvoeglijk naamwoord altijd een buigings-e: de warme deken, een warme deken, warme deken.

Taaladvies.net
Deken (het / de -)

Hebt u een taalvraag?
Nieuwsbrief krijgen?
  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 10.000 abonnees
Spellingtests
  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback
Volg ons